ROTTERDAM - De rechtbank Rotterdam veroordeelt een 39-jarige man tot 12 jaar gevangenisstraf voor onder meer poging tot moord. Hij heeft zijn ex-partner opzettelijk en met een vooropgezet plan door het hoofd geschoten. De vrouw raakte zwaargewond en moet leven met grote psychische en lichamelijke gevolgen.


In 2015 is de man veroordeeld voor mishandeling van het slachtoffer, zijn toenmalige partner. In 2017 is hun dochter geboren. In 2020 is het echtpaar gescheiden. Voorafgaand aan de poging moord in 2022 heeft de verdachte zijn ex-partner gestalkt, de ruit van haar voordeur vernield, haar meerdere malen met de dood bedreigd en een opgelegd contactverbod overtreden.

Op 11 maart 2022 is de verdachte met een geladen pistool naar de woning van zijn ex-partner gegaan. Met een hamer heeft hij een ruit ingeslagen en is naar binnen gegaan. De verdachte liep meteen naar de bovenverdieping waar hij zijn slachtoffer aantrof. Hij richtte zijn vuurwapen op haar en heeft op haar hoofd geschoten. Daarna rende hij weg en gooide zijn wapen in een sloot.

Het linkeroog van het slachtoffer is door het schot dusdanig beschadigd geraakt dat dit operatief verwijderd moet worden en zij visueel beperkt is. Een deel van de kogelfragmenten in haar hoofd kan niet operatief worden verwijderd. Het slachtoffer kan door het opgelopen hersenletsel niet meer ruiken en proeven. Ook hebben zij en de dochter psychisch trauma opgelopen.

Vonnis

De rechtbank beoordeelt het bewijsmateriaal als overtuigend en acht de poging tot moord, het verboden wapenbezit, de belaging, de bedreigingen, de vernielingen en het overtreden van het contactverbod bewezen. Deze feiten hebben niet alleen grote gevolgen voor het slachtoffer en de dochter gehad. Een poging tot moord op een (ex-)partner zorgt voor onrust, afschuw, onbegrip en grote morele verontwaardiging in de samenleving.

Deze feiten rechtvaardigen een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De verdachte wordt daarom veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar.


Geen TBS

De door het Openbaar Ministerie geëiste TBS-maatregel zal niet worden opgelegd, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte lijdt aan een persoonlijkheids- of psychische stoornis. Op grond van artikel 37a Sr is voor de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) vereist dat van zo'n stoornis sprake is.

Het slachtoffer krijgt een schadevergoeding van ruim € 65.000. Ook de vordering van de dochter tot vergoeding van schokschade van € 10.000 wordt toegewezen.